Want hij kent Mijn Naam

‘Hij begeert Mij, dus wil Ik hem uithelpen; hij kent Mijn Naam, daarom wil Ik hem beschermen. Hij roept Mij aan, dus wil Ik hem verhoren; Ik ben bij hem in de nood, Ik zal hem daaruit verlossen en tot eer brengen. Ik zal hem verzadigen met een lang leven, en zal hem Mijn heil tonen’
(Psalm 91:14-15, weergave DB 1545).

(…) “Hier spreekt God Zelf en de profeet luistert en zwijgt.

In de eerste plaats: ‘Hij begeert Mij’ (vgl. 14). Dat wil zeggen: Mijn genade; hij wilde zo graag dat Ik zijn genadige God zou zijn. Zo echter wil Ik het hebben, dat eist het eerste gebod. Omdat hij dit begeert, wil Ik dat ook gewillig en van harte zijn; Ik wil zijn God zijn; Ik wil en zal hem ook uithelpen.

In de tweede plaats: ‘Hij kent Mijn Naam’ (vgl. 14). Dat wil zeggen: hij weet dat Ik barmhartig en een Beschermer ben, daarom zal Ik hem ook beschermen.

In de derde plaats: ‘Hij roept Mij aan, daarom zal Ik hem verhoren’ (vgl. 15). Dit is een wonderzoete belofte: eerst, ‘hij begeert Mij’, dan, ‘hij kent Mijn Naam’, en tenslotte, ‘hij roept Mij aan’.

Het zijn woorden van geloof, die zeker al vaak zijn aangegrepen door beproefde zielen. Hetzelfde met het woord: ‘Ik ben bij hem in de nood’, en ook het volgende: ‘Ik zal hem uithelpen en tot eer brengen’ (vgl. 15). Namelijk zó tot eer brengen, dat het niet alleen een morgenwolk zal zijn, zoals de wereld tot eer brengt, maar het zal voor lange duur zijn. Dat is: Ik breng hem tot het eeuwige leven en de eeuwige zaligheid. Dat zal gebeuren door Mijn Heil.”
Kleinere Arbeiten über Psalmen, 1530-1532, Psalmen über Tische ausgelegt. Vgl.. WA 31.1, 562, 13-27