Uitverkiezing 2

Uit het voorwoord van Luther bij de brief van Paulus aan de Romeinen

In de hoofdstukken negen, tien en elf onderwijst Paulus ons over de eeuwige verkiezing van God. Namelijk, over het oorspronkelijke besluit van God, wie gelooft of niet geloven zal; van zonden verlost of niet verlost kan worden. Daarmee is het geheel uit onze handen genomen en ligt het alleen in Gods hand of wij rechtvaardig worden. Dit is dan ook allerhoogst noodzakelijk! Want wij zijn zo zwak en onzeker, dat, als het van ons zou afhangen, er zeker geen mens zalig werd. De duivel zou de mensen, zonder twijfel, allemáál overweldigen. Maar omdat God zo getrouw is, dat Zijn verkiezing niet faalt of iemand die kan verhinderen, daarom hebben wij nog hoop tegen de zonde.

Maar nu moeten wij eerst de mond stoppen van die roekeloze en onbezonnen geesten, die eerst bij hun verstand te rade gaan en met hun verstand opstijgen naar de hemel en daar beginnen om eerst de diepte van de Goddelijke uitverkiezing te onderzoeken. Zij zijn dan – maar dat geheel tevergeefs – bekommerd om te weten of zij uitverkoren zijn! Ja, die moeten vanzelf weer neerstorten! Of ze vervallen tot wanhoop, óf ze worden geheel onverschillig.

Zij die echter de volgorde van deze brief verstaan, bekommeren zich éérst over Christus en het Evangelie, namelijk, dat je in de eerste plaats kennis van je zonde én kennis van Gods genade hebt. Daarna, dat je tegen de zonden strijdt, zoals het eerste tot het achtste hoofdstuk je geleerd hebben. Als je hierna tot aan het achtste hoofdstuk bent gekomen, onder kruis en lijden, dan zal het heilige kruis je in hoofdstuk negen tot elf wel goed onderwijs geven over de uitverkiezing, te weten, hoe vol troost deze leer is.

Want zonder lijden, kruis en doodsangsten kun je de verkiezing niet zonder schade en verborgen opstand tegen God overdenken. De oude Adam behoort geheel gedood te worden, voordat je dit kunt verdragen en deze sterke wijn kunt drinken. Daarom, pas er voor op, dat je niet van deze wijn drinkt, als je nog steeds een zuigeling bent. Er is een zekere maat, tijd en leeftijd voor ieder leerstuk.
[Vorrede auff die Epistel S. Paul: an die Römer, Biblia Germanica (1545). Vgl. WADB 7, S. 2-27]