Uitverkiezing (1)

Als Luther zo vaak klaagt over de aanvechtingen van de duivel, heeft hij het over zaken die hij zelf bij ondervinding heeft geleerd. Bijzonder is wel om te lezen hoe moeilijk hij het soms nog heeft om te geloven dat ook hij zich onder het ‘hoopje der uitverkoren’ bevindt. In zijn preken, brieven en Bijbelverklaringen vertroost hij andere aangevochten zielen met de vertroosting waarmee hijzelf vertroost is geworden.

De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader (1 Petrus 1:2, weergave DB 1545)

“Deze tekst zegt: ‘Dat jullie uitverkoren zijn, dat hebben jullie niet verkregen door eigen krachten, werken of verdiensten, want deze schat is te groot, zodat alle menselijke heiligheid en gerechtigheid daartoe te gering zijn om deze te verkrijgen. Bovendien zijn jullie heidenen geweest die niets over God hebben geweten, die geen hoop hebben gehad, en de stomme afgoden hebben gediend. Daarom komen jullie geheel zonder jullie toedoen, uit pure genade tot zo’n onuitsprekelijk grote heerlijkheid, namelijk, omdat God de Vader jullie van eeuwigheid daartoe heeft uitverkoren.’ Op deze manier maakt Petrus de uitverkiezing van God geheel liefelijk en troostvol, alsof hij wilde zeggen: ‘Uitverkorenen zijn jullie en blijven jullie ook wel, want God, Die jullie heeft uitverkoren, is sterk en trouw genoeg, zodat Zijn verkiezing niet kan falen. Dit echter, in zoverre jullie ook Zijn belofte geloven, en Hem voor een getrouwe God houden.’

Daaruit zullen wij in het kort deze lering trekken: dat de verkiezing niet op onze waardigheid en verdienste is gegrond, zoals de sofisten [= Luthers scheldnaam voor de middeleeuwse theologen van de Scholastiek] voorgeven. Want dan kon de duivel haar ieder ogenblik onzeker maken en omstoten. Zij ligt echter in Gods hand, en is gegrondvest op Zijn barmhartigheid, die onwankelbaar en eeuwig is. Vandaar dat zij ook ‘Gods verkiezing’ heet, en deze daarom zeker is en niet kan falen (vgl. Romeinen 11:29).

Dus, word je aangevochten door je zonde en onwaardigheid, en valt het je daarbij in: ‘Jij bent door God niet uitverkoren’ óf ‘het getal der uitverkorenen is klein en de menigte der goddelozen is groot’, ook als je verschrikt bent vanwege de vreselijke voorbeelden van de toorn van God en het eeuwige gericht, enzovoort. Dan heb ik maar één goede raad: disputeer niet waarom God dit of dat zó doet en niet anders, wat Hij tóch wel zou kunnen, enzovoort.

Waag het ook niet om de afgrond van de Goddelijke verkiezing met je verstand te doorgronden, dan zul je zeker daarin dwalen en vertwijfelen – of, in plaats daarvan, zul je alles in de wind slaan en in totale onverschilligheid omkomen. Houd je echter aan de beloften van het Evangelie, deze zullen je leren dat Christus, Gods Zoon, in de wereld is gekomen, opdat Hij alle volken op aarde zou zegenen. Dat is: van zonde en dood zou verlossen, rechtvaardig en zalig zou maken, en dat Hij dit vanwege het bevel en de genadige wil van God, de hemelse Vader, heeft gedaan. ‘Want God heeft de wereld zo liefgehad, dat Hij Zijn enige Zoon overgaf, opdat allen die in Hem geloven, niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben’ (vgl. Johannes 3:16).

Volg nu deze raad op: Erken eerst: dat je van nature een kind des toorns bent,  schuldig aan de eeuwige dood en verdoemenis, waaruit geen schepsel, mens of engel, je ooit zal kunnen verlossen. Dat is één! In de tweede plaats: grijp daarna Gods belofte aan, geloof dat Hij een barmhartig en waarachtig God is, Die getrouw vervult – uit enkel genade, zonder ons toedoen of enige verdienste – alles wat Hij heeft gesproken. Want daarom heeft Hij Christus Zijn Zoon gezonden, opdat Hij voor jouw zonden zou betalen en aan jou Zijn onschuld en gerechtigheid zou schenken en je eindelijk uit alle nood en dood zou verlossen. Op grond van deze beloften van God hoef je niet te twijfelen dat je behoort bij het hoopje der uitverkorenen. Wanneer je op deze manier (zoals Paulus gewoon is) over de uitverkiezing spreekt, dan is deze bovenmate troostrijk. Wie zich wat anders voorneemt, voor die is het een pure verschrikking.”
Wittenberger Ausgabe (Wi Deutsch, 1556), Band 1, S. 483b ff, weergave W(2) 9, S. 1114/1115