Onze zonden

‘Die onze zonden Zelf geofferd heeft in Zijn lichaam op het hout, opdat wij de zonden afgestorven, door de gerechtigheid zouden leven; door Wiens wonden u genezen bent’
(1 Petrus 2:24, weergave DB 1545).

‘Die onze zonden Zelf geofferd heeft in Zijn lichaam’ – Horen jullie: ‘Zélf’ – Hij heeft daarvoor niet Aäron, Mozes, paus of priester genomen, maar Hij heeft die Zelf geofferd! Hij wordt hier als Priester beschreven, omdat Hij heeft geofferd. Wat heeft Hij geofferd? ‘Onze zonden’ – Aäron nam een geit, een bok. Wat nam Deze? Míjn zonden die ík heb gedaan, en offerde ze. Aaron nam een schaap en verbrandde het, dat schaap moest worden gedood. Offeren betekent zoveel als doden. ‘Ik’, zegt Christus, ‘wil de zonde van de hele wereld nemen en offeren’, dat is: slachten, doden, ombrengen. ‘In Zijn lichaam’ – Dat is het het altaar geweest: Zijn lichaam op het hout van het kruis. Petrus is een fijne prediker. ‘Onze’ – Van mij en van jou! Waar zijn ze? Niet op ons. Waar moet ik ze dan zoeken? ‘In Zijn lichaam en aan het kruis’ – Dáár draagt Hij ze, in Zíjn lichaam!

Deze tekst is uit Jesaja genomen: ‘Evenwel Hij droeg onze ellende, en laadde onze smarten op Zich’, enzovoort (vgl. Jesaja 53:4 vv). Dat zijn enkel kostbare gouden woorden. Ze leren ons het hoofdartikel: geloven in Christus. De knechten moeten het kruis dragen, maar niet de zonden. Als daarover wordt gesproken: laat dan de knechten met hun werken en hun kruis hun eigen weg maar gaan! Zó moet het zijn: de zonden moet je niet op je eigen lichaam en ziel laten liggen, maar op Zijn hals aan het kruis. Anders word je verdoemd! Liggen ze echter op Zijn hals, dan liggen ze niet op mijn hals. Dit is geen spiegelgevecht, maar volle ernst! Hij neemt onze zonden op Zijn hals; heeft ze gedood en verbrand in Zijn lichaam als een offer. Petrus heeft er mooi over kunnen spreken! Wil je van je zonden verlost worden, dan moet je deze tekst leren.

Predigten des Jahres 1531, vgl. WA 34.1, 354 ff. Weergave Georg Buchwald, D. Martin Luthers Predigten, Zweiter Band, S. 253/254 (Verlag E. Bertelmann, Gütersloh 1926).