Een kwaad geweten (3)


Luther spreekt in zijn uitgebreide verklaring van Genesis (1535-1545) in hoofdstuk 43 over het kwade geweten van de broers van Jozef tijdens hun tocht naar Egypte, waarheen zij Jozef als slaaf hadden verkocht.

‘En toen wij in de herberg kwamen en wij onze zakken opendeden, zie, toen was ieders geld boven in zijn zak in het volle gewicht, daarom hebben wij het weer teruggebracht’ (Genesis 43:21, weergave DB 1545).

Een kwaad geweten kan op geen enkele manier vrede hebben, of zich tot God wenden, tenzij dan dat het geheel verslagen is, anders vlucht het bij God vandaan (vgl. o.a. Handelingen 2:37). Voor God hoeft toch niemand te vluchten of te verschrikken! Waarom niet? Omdat God zo goed is voor alle bevreesde en wanhopige zielen. Hij is de Toevlucht voor hen die door alle schepselen zijn verlaten, zich troosteloos en hulpeloos voelen.

Een arme ziel echter, die zich schuldig weet, zou zich eerder in duizend bochten wringen, ja, liever door stenen, vuur en ijzeren bergen lopen, dan dat zij zich tot God zou wenden en rechtstreeks naar Hem toe zou lopen.

Is dat niet een grote en erbarmelijke ellende, dat wij voor Hem vrezen en vluchten, over Wie de Heilige Schrift zo dikwijls zegt, dat Hij altijd onze Toevlucht is: ‘Mijn vader en mijn moeder verlaten mij, maar de HEERE neemt mij aan’ (vgl. Psalm 27:10).

Daarom, als ook alle schepselen niets anders zouden roepen, dan: ‘Je bent verloren, je bent vervloekt en verdoemd!’, dan moet je toch met de Psalm zeggen: ‘Wanneer ik slechts U heb, dan vraag ik niet naar hemel en aarde. Als zelfs mijn lichaam en ziel zouden versmachten, dan bent U toch altijd de troost van mijn hart en mijn deel’ (vgl. Psalm 73:25, 26). Wat vraag ik daarnaar, wanneer ik slechts een genadige God heb?
Die Auslegung des ersten Buchs Mosis, des 43. Capitels. Vgl. W(1) 2, S. 2348 / S. 2349