De tranen der vervolgden

17-02-2020, NOS nieuws:

Bij een aanval van jihadisten op een protestantse kerk in het noordoosten van Burkina Faso zijn 24 doden gevallen. Drie mensen werden door de aanvallers ontvoerd. Ongeveer twintig gewapende mannen vielen zondag de kerk binnen tijdens de dienst. Ze openden het vuur op de kerkgangers. Mannen en vrouwen werden van elkaar gescheiden en na de aanval staken ze de kerk in brand.
Vorige week werd in dezelfde regio een pastor ontvoerd uit zijn woning. Hij werd vermoord teruggevonden in een dorpje bij de grens met Niger. Ook de lichamen van zijn vier zoons werden daar aangetroffen.

Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in Uw fles; zijn zij niet in Uw register?
Psalm 56:9

“De profeet wil dit zeggen: ‘Als er geen mens is die aan mijn leed en ellende wil denken, dan ziet U toch, HEERE, daar nauwkeurig op, zodat U alle voetstappen telt van mijn vlucht – hoever dat ik ook verjaagd ben en moet lopen! U hebt al mijn voetstappen geteld; U vergeet de tranen niet die ik wenen moet! Heere, ik weet echter dat deze alle in Uw register zijn geschreven en niet vergeten zullen worden.’

Daarom moeten allen die om de belijdenis van Christus en Zijn leer door de vijanden van de Waarheid vervolgd en jammerlijk verjaagd zijn, deze troost uit dit voorbeeld van David aannemen, zodat ook zij zeker zijn en niet twijfelen dat hun tranen door God zijn geteld. Dat hun vlucht en moeilijke weg door God is opgeschreven en al hun tranen in Gods fles zijn bewaard, zodat niet één daarvan [op de grond] zal vallen of vergeten zal zijn.

Wanneer het – door de genadige wil van God – echter zover komt, dat iemand wordt overgeleverd en om de zaak van Christus moet sterven, die zal zijn ziel aan God zijn getrouwe Schepper en Heiland aanbevelen. Dit woord uit de Psalmen zal zijn troost zijn: dat God al zijn beenderen zal bewaren en dat er niet een zal worden gebroken (vgl. Psalm 34:21). Zoals ook Christus zegt in Mattheüs 10 vers 30: ‘De haren van uw hoofd zijn alle geteld.'”
Bibel- und Bucheizeichnungen Luthers, vgl. WA 48, 54, 1-20 (No. 70)]