De gemeenschap der heiligen

‘Want die de Heere liefheeft, die kastijdt Hij, en Hij straft iedere zoon die Hij aanneemt’ (Hebreeën 12:6, weergave DB 1545).

(…) “Wie zou van deze woorden van Paulus niet schrikken? Want hij zegt hier duidelijk: dat er geen kind van God bestaat dat niet wordt gekastijd. Hoe zou je nu krachtiger vermaand en beter vertroost kunnen worden, dan dat je hoort dat het juist Gods kinderen zijn die gekastijd en gestraft worden? En óók dat je niet alleen bent in dit lijden, maar dat je lijdt in gemeenschap met alle heiligen op aarde?

Niemand mag vragen waarom sommige heiligen minder en andere heiligen meer moeite en verdriet hebben. Want iedereen wordt beproefd met mate en niet met meer dan dat hij dragen kan, zoals geschreven staat: ‘U spijzigt ons met tranenbrood en geeft ons tranen met mate te drinken’ (vgl. Psalm 80:6). Dat zegt Paulus ook: ‘God is getrouw, Die u niet laat verzocht worden boven uw vermogen en geeft dat u de verzoeking zult kunnen verdragen’ (vgl. 1 Korinthe 10:13).

Hoe meer leed en aanvechting, hoe meer hulp en ondersteuning van God, zodat de moeiten en aanvechtingen soms meer ongelijk verdeeld schijnen dan dat ze in werkelijkheid zijn. Uw lijden is daarom terecht en in waarheid één lijden met dat van alle heiligen, zoals even terecht en even naar waarheid uw belijdenis van zonden met de belijdenis van alle heiligen één belijdenis is. Want er is maar één waarheid voor allen, één belijdenis van zonden, één lijden van het kwade en één waarachtige gemeenschap van alle heiligen in en door alle dingen.”
Tessaradecas consolatoria pro laborantibus et oneratis. 1520. Vgl. WA 6, 115, 32 – 116, 19